<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss xmlns:iweb="http://www.apple.com/iweb" version="2.0">
  <channel>
    <title>verhalen, teksten, fragmenten</title>
    <link>http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Tekst.html</link>
    <description>Sinds drie jaar schrijft Gerwin fictie. Met zes verhalen won hij een prijs. Vorig jaar tekende hij een contract bij uitgeverij Contact. Zijn debuutroman “Gewapende Man” verschijnt in april 2010.</description>
    <generator>iWeb 3.0.1</generator>
    <image>
      <url>http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Tekst_files/P1060260.jpg</url>
      <title>verhalen, teksten, fragmenten</title>
      <link>http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Tekst.html</link>
    </image>
    <item>
      <title>fragment uit “Gewapende man”</title>
      <link>http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2010/3/29_fragment_uit_Gewapende_man.html</link>
      <guid isPermaLink="false">a3a51b61-1ff5-49b3-8484-d7b20b651e1b</guid>
      <pubDate>Mon, 29 Mar 2010 09:43:15 +0200</pubDate>
      <description>&lt;a href=&quot;http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2010/3/29_fragment_uit_Gewapende_man_files/ZundappKS50_1.jpg&quot;&gt;&lt;img src=&quot;http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Media/object000_1.jpg&quot; style=&quot;float:left; padding-right:10px; padding-bottom:10px; width:247px; height:190px;&quot;/&gt;&lt;/a&gt;Ik ben gestopt met rennen, rits mijn jas open, want ik stik zowat. Alleen mijn voeten zijn ijskoud gebleven, net of ik ze van een ander heb geleend, van een dooie. &lt;br/&gt;Ik wilde eerder thuis zijn dan vader, en als ik dat wil moet ik uit school door de weilanden en over het bouwterrein rennen, zo hard ik kan. Als ik de weg volg haalt hij mij in met zijn brommer en dan zwaait hij naar me, hij weet niet eens dat het een wedstrijdje is. &lt;br/&gt;De achterdeur is open, er is niemand. Ik gooi de jas over een stoel, trek mijn schoenen uit op de mat. Mijn sokken ruiken naar koeienstront, de randen van mijn broekspijpen zijn nat en zwart. Ik hoor vader al, de brommer bedoel ik. Ik ga snel aan de keukentafel zitten en probeer niet te hijgen.&lt;br/&gt;Vader komt binnen. Hij zet zijn tas neer. Je kan horen dat-ie zwaar is, de tas. Ik denk dat hij schriften bij zich heeft. &lt;br/&gt;“Dag jongen, was je al thuis?”&lt;br/&gt;“Ja al lang,” zeg ik. Ik denk dat mijn hoofd mij verraadt, dat het knalrood is. “Mag ik u helpen met nakijken?” Vader zet de ketel op, ik haal de schriften uit de tas, het zijn de taalschriften. Ik leg ze op alfabetische volgorde, van Ates tot Westra. Dat heeft geen nut, ik vind het gewoon leuk. Vader zet twee koppen thee op de keukentafel, legt een kaakje naast elke kop. Hij haalt twee rode ballpoints tevoorschijn, voor ons allebei één. Hij pakt het schrift van Dinie Ates. Dinie is niet van hier, net als wij. Zij maakt bijna nooit fouten, zij is het voorbeeld. Vader zit links van mij, zegt niets. Ik doop mijn kaakje in de thee, te lang. Ik zuig de papperige koek naar binnen, kijk naar vaders rechterhand, naar de mouw van zijn ribfluwelen jasje dat naar zoethout ruikt. De hand beweegt langs de woorden. Het zijn niet echt zinnen, het zijn opgaven en problemen die niets van je willen behalve dat je ze foutloos opschrijft. Ik stel mij voor hoe hij die zinnen uitgesproken heeft, langzaam, maar wel in de maat, alsof het melodieën zijn. Slechts één keer komt de pen neer op het papier. Hij zet een korte, vinnige streep door ‘afgebrandde’ want dat is fout, het is met één d. Daarna tekent hij een mooie krul onder aan de pagina. Nu mag ik een schrift pakken.&lt;br/&gt;Ik zit in de zesde, ik kan prima de dictees van de vijfde nakijken. “Het moet snel af,” zegt vader, “doe je best.” “Waarom moet het snel af?” vraag ik. Zijn hand schuift alweer over het volgende dictee. “Ik heb het beloofd, morgen kan het niet meer.” Ik vind dat zo’n raadselachtig antwoord dat ik mij niet goed kan concentreren. Mijn vader kijkt opzij, hij ziet in een oogwenk dat ik een fout heb laten zitten. ““Monniken” is met één k jongen,” zegt hij. Ik weet dat best, ik zag het gewoon niet zo snel. Hij buigt zich naar mij toe, zet een streep door de tweede k. Ik probeer mijn aandacht te richten op die ellendige hanenpoten in het schrift van Wieger Brakema, de ene letter hangt naar achteren, de andere naar voren, ze lijken aan elkaar te trekken en te duwen als een kleuterklas die naar de gymzaal loopt. Zo snel als vader gaat! Hij is al bij het derde schrift, en ik heb nog steeds niks gedaan, ik kan alleen maar naar die hand kijken, de kluwen letters in het schriftje van Wieger willen geen woorden worden, laat staan foute woorden. Vader pakt zijn vierde schrift. Tweeëntwintig te gaan, en dan zal ik nóg boven dit ene rotschrift hangen. Ik zie een fout, zet er een streep door, kijk of vader het ziet. Vader kijkt niet, zijn hand schuift over het blad, ik ruik de inkt van zijn ballpoint. Mijn pen ruikt naar niks, die is nog niet op gang. Hij legt het schrift op zijn stapel, pakt het volgende. &lt;br/&gt;“Ik moet zo dadelijk nog even weg,” zegt hij ineens, “oom Guy komt mij ophalen.” Hij slaat het schrift open en gaat verder met nakijken. &lt;br/&gt;Waar moet hij ‘nog even’ heen, zo laat in de middag, met oom Guy die helemaal geen echte oom van me is? Guy de Belg, mijn moeder moet hem niet. Om vijf uur komt mijn moeder thuis. Moet ik dan zeggen dat vader met Guy ‘nog even weg’ is?&lt;br/&gt;“Waar gaat u naar toe? Bent u voor het eten thuis?”&lt;br/&gt;Vader zegt niks terug, hij doet volgens mij alsof hij niets hoort. Hij pakt schrift nummer zes, of zeven. &lt;br/&gt;Ik heb eindelijk mijn tweede schrift opengeslagen als de bel gaat, ding-dong in een kleine terts. Mijn vader heeft mij van alles over muziek geleerd. Naast vader ligt een stapel schriften die nu al hoger is dan het stapeltje dat nog nagekeken moet worden. Die bel, ik wil dat hij zijn tonen weer inslikt. Guy de Belg staat voor die deur, en de bel werkt daar zomaar aan mee. Guy is best aardig, maar zijn aardige gedoe heeft volgens mij niets met mij te maken. Dat hij daar nu staat, en ervoor zorgt dat mijn vader van de keukenstoel opspringt, dat wil ik niet.&lt;br/&gt;“Maak jij de rest nog even af Gideon?”&lt;br/&gt;Ik heb een soort klei in mijn keel. Het komt door die koekjes, of door het rennen.&lt;br/&gt;“Ja best.”&lt;br/&gt;“Dag jongen,” zegt hij, hij legt een hand in mijn nek, kust mijn kruin en streelt mijn wang met zijn wijsvinger. Zijn vingers zijn altijd bruin, zomer en winter, net als zijn piemel, die ik wel eens zie als hij uit de douche komt. Hij is de kamer al uit. De voordeur gaat open, ik hoor geen begroeting. De deur slaat dicht. Ik schuif mijn stoel naar achteren, sta op, loop op mijn sokken door de achterdeur naar buiten. De stof blijft haken in de gewassen grindtegels, ik ren langs de schuur, ik stap in een ijskoude plas, daarna op een dood takje. Ik verbijt de pijn terwijl ik mij schuil houd achter het schuurtje. Ik zie de Eend van Guy! Hij staat te roken en te trillen van ongeduld, de Eend. Dan zie ik vader.&lt;br/&gt;Hij laat zijn armen in de struiken zakken, haalt er een koffer uit. &lt;br/&gt;Vader opent het portier, gooit de koffer op de achterbank, stapt in. De Eend begint te gieren, valt kreunend door de bocht, hij hangt bijna tegen de stoeprand. Ik hoor ’m nog als hij aan het einde van de straat de hoofdweg op draait. Dan wordt het stil. Ik leg mijn handen plat tegen de planken van de schuur, ik duw de nagel van mijn duim in het zachte hout dat de hele winter heeft staan rotten. Ik moet hier natuurlijk niet blijven staan, dan krijg ik het koud.&lt;br/&gt;Ik open de schuurdeur. De hele schuur ruikt naar brommer. Er is iets mis met deze dag, er zitten allemaal fouten in en ik heb ze laten zitten. De schriften! Misschien kan ik de rest nog nakijken voordat mijn moeder thuiskomt. Ik heb het vader beloofd. Afgebrande monniken, na een tijdje gaat het snel omdat je steeds dezelfde fouten tegenkomt.&lt;br/&gt;</description>
      <enclosure url="http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2010/3/29_fragment_uit_Gewapende_man_files/ZundappKS50_1.jpg" length="55079" type="image/jpeg"/>
    </item>
    <item>
      <title>lava brandende pen 2010</title>
      <link>http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2010/3/29_lava_brandende_pen_2010.html</link>
      <guid isPermaLink="false">507de8ab-5eed-4891-953e-b769d2c0fa6c</guid>
      <pubDate>Mon, 29 Mar 2010 09:38:40 +0200</pubDate>
      <description>&lt;a href=&quot;http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2010/3/29_lava_brandende_pen_2010_files/vuur1_1.jpg&quot;&gt;&lt;img src=&quot;http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Media/object001_1.jpg&quot; style=&quot;float:left; padding-right:10px; padding-bottom:10px; width:247px; height:247px;&quot;/&gt;&lt;/a&gt;We zouden naar Parijs, maar we strandden in Kruishoutem. We stonden stil op de snelweg, in de brandende zon, ik brandde mijn poten aan het portier toen ik een arm uit het raam hing. Kilometers verderop was een hooiwagen in de fik gevlogen, alle rijstroken versperd. Elvin wist dat allemaal, want mijn neef had niet alleen een auto, hij had ook een iPhone met twitter en alles. “Strovuur” zei Elvin, “hevig, maar kort. We rijden zo weer”. Een half uur later keek ik nog steeds naar dezelfde klinknagel in de vangrail. Ik had dorst, de hitte en de sigarettenrook sloegen op mijn keel en Elvin werkte mij op de zenuwen met zijn overspannen houd-de-moed-erin-praat. Hij stak de ene sigaret aan met de andere. Na drie kwartier begon hij ineens luid te vloeken, gaf een peut gas en reed met jankende banden de vluchtstrook op. Ik greep mijn stoel beet, want gordels droegen wij niet. Wij zochten de vrijheid, en gordels zijn daar in tegenspraak mee. Wij bereikten uitrit nummer zes.&lt;br/&gt;Zo belandden wij in het Vlaamse dorp Kruishoutem, een dorp waar niets bewoog, alleen de lucht, van de hitte.&lt;br/&gt;“Dorst” blafte Elvin, “ik wil godverdomme cola!”. Daarna moest hij hoesten. Eigenlijk ben je een griezel, dacht ik, met je cola, je bruine poepogen, je George Clooney-kin. En je stinksigaretten. Mijn moeder vertelde mij laatst dat ze mijn oom ook een griezel vond. Ik hoor het haar nog zeggen: ‘Wel knap, ergens, maar niet, tja, niet lief, zoals je vader’. Vroeger smeet Elvin met zijn autootjes naar mij, of hij gooide zand in mijn haar, één keer heb ik hem achtergelaten in een zandbak in een onbekende speeltuin. Toen is hij pas ’s avonds door de politie thuisbezorgd, want ik zei dat ik niet wist waar hij was. Ach, we waren vijf, zes misschien. Later ging het wat beter allemaal. Ik had mijn vrienden niet voor het kiezen. Wie wel? Wie kiest zijn vrienden zoals je in de supermarkt uit zesduizend soorten koekjes kiest? Ik niet. Ik had mijn neef Elvin, en Elvin had een oude auto waar je mee naar Parijs kon, in theorie.&lt;br/&gt;We waren Kruishoutem alweer uit toen er een tankstation opdoemde.&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;‘Nieuwe eigenaar, betere service’ las ik op een manshoog bord in de berm. Dikke verfstreken met zakkers. Daaronder, met een fijner penseel of een stift, heel keurig, de prijzen van de verschillende brandstoffen. Volgens Elvin was het niet duur, dus behalve cola drinken konden we ook wel even tanken. Er waren twee pompen onder de kap, en een piepklein kot dat hopelijk bomvol cola zat. Elvin stopte naast de dieselpomp. Ik zag dat het rolluik van het kot neergelaten was en wilde Elvin daar op attent maken, maar mijn neef stond al buiten, hij trapte zijn sigaret uit. Toen zag ik het oude mannetje. Het mannetje droeg een blauwe overall en een baseballpet en zat naast de pomp op een houten stoel, zo’n gammel ding als je wel in kerken ziet. Hij was totaal verschrompeld en op sterven na dood, dat mannetje. Hij zoog aan een sjekkie naast de ‘verboden te roken’-sticker en kwam niet in beweging, ondanks de klandizie. Was dit nu die veelbelovende nieuwe eigenaar? Ik knikte naar de man, wat moest ik anders? Elvin zag het mannetje pas toen hij het tankpistool al in zijn wagen geduwd had. De pomp begon te ratelen.&lt;br/&gt;“Kijk aan, de nieuwe eigenaar” zei hij, “heeft u een paar colaatjes voor ons?”&lt;br/&gt;Er zat bijna geen kleur in de man zijn ogen. Hij nam een haal van een peukje dat zo kort was dat hij zijn lippen haast wel moest branden. De rook verdween in zijn lijf en kwam er niet meer uit.&lt;br/&gt;“Coca cola, frisdrank?” zei ik zo vriendelijk ik kon.&lt;br/&gt;Het mannetje zei niets, hij keek weer naar Elvin. De pomp sloeg af. Elvin tikte hem vakkundig door tot veertig euro, hing het pistool toen op.&lt;br/&gt;“Jezus Christus” zei hij, “hij heeft toch wel cola?”&lt;br/&gt;Ik vond dat Elvin moest ophouden over die cola. Ik reikte de man vier briefjes van tien aan, want ik voelde mij verplicht als meerijder iets aan deze Parijsexcursie bij te dragen. Hij stond op van zijn stoel, nam het geld aan, tikte aan zijn pet. Hij rook naar carbolineum en tabak. Hij schuifelde weg, richting de straat.&lt;br/&gt;“Lekkere service”, zei Elvin, “moet je je voorstellen hoe die vorige eigenaar was. En geeneens een blikkie kutcola verd...”&lt;br/&gt;“HEE DAAR!”&lt;br/&gt;Ik wist niet waar die brul, noch de vent die ‘m produceerde, vandaan kwamen. Elvin schrok nog harder dan ik, hij liet de dop van de tank uit zijn handen vallen. &lt;br/&gt;“Ik had u toch gezegd dat ge hier nooit meer uw tronie moest laten zien!”&lt;br/&gt;Het Vlaams was zoet en zangerig, de dreiging niet minder. Ik was in de war, ik kon niets met zijn woorden. Elvin bleef stokstijf staan, en ik vervloekte hem, want we moesten hier als de donder weg en die idioot van een neef bleef daar gewoon staan. Een dikke vent met een vetkuif en grijze slapen stond ineens naast me. Hij greep de houten stoel beet. Ik sloeg de handen voor mijn ogen, bedacht toen dat ik beter het portierraampje kon dichtdraaien en de deur op slot doen. Ik zag nog hoe de dikke man naar de straat rende en de stoel hard op de rug van het oude mannetje liet neerkomen. Voor het mannetje op de grond lag haalde de dikzak nogmaals uit. De stoel raakte opnieuw de rug van de grijsaard en sloeg stuk op de stoeptegels. Het mannetje gaf geen kik, bleef in foetushouding liggen en bewoog niet meer. &lt;br/&gt;“Hij heeft hier niets te zoeken, die ouwe” riep hij. Met een grijns even dik en breed als zijn onderkin kwam hij op ons afgelopen. Hij ging tegen mijn portier staan leunen, zijn kop glom van het zweet, hij stonk naar urine en motorolie. &lt;br/&gt;“’t Is de oude eigenaar, ziet u, hij komt hier soms de boel verstieren en dat moet nu maar ‘s gedaan zijn. Enfin, kan ik u helpen?”&lt;br/&gt;“We hebben al getankt. We hebben hem betaald” zei Elvin, wijzend op het hoopje dat opgerold op de stoep lag.&lt;br/&gt;“Awel, dat spijt mij” fleemde de man, “u moet mij betalen hè?”&lt;br/&gt;Even bleef het stil. Ik kon niets doen, de dikke vent hield mij gevangen door dat leunen tegen mijn portier.&lt;br/&gt;“We hebben hém betaald” zei Elvin. Hij glimlachte erbij. &lt;br/&gt;“Hij werkt hier niet hè? Ik ben de eigenaar van deze doening hè? ’t Is mijn naft hè?”&lt;br/&gt;Nog meer stilte. Zweet in mijn nek, pislucht in mijn neus.&lt;br/&gt;“Mijn God Christus-te-paard!” riep Elvin uit het niets. Hij beende naar het oude mannetje dat daar nog steeds lag en niet bewoog. Ik zag hoe Elvin over de man heen boog, ik zag hem in de broekzak van de grijsaard voelen, bankbiljetten uit de broekzak peuteren. Ik wilde iets zeggen, maar mijn keel zat dicht. Hemel wat stonk die kerel naast mij! Ik haalde met enige moeite de portefeuille weer uit mijn kontzak, want dit was niet in orde. Elvin was mij helaas voor. &lt;br/&gt;“Hier”, zei Elvin tegen de dikke, “je geld. Veertig ballen. En twee cola graag.”&lt;br/&gt;Stilte. &lt;br/&gt;Ik weet niet eens of de man het geld nog aannam, want het volgende moment had de dikke vent Elvin bij zijn strot. Zijn enorme hand zat echt om de keel van mijn neef en ik kon niks doen.&lt;br/&gt;“Gij berooft mijn bloedeigen vader, en vraagt doodleuk om ’n cola?”&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Lees verder in Lava 16.1 , verkrijgbaar bij de Betere Boekhandel&lt;br/&gt;</description>
      <enclosure url="http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2010/3/29_lava_brandende_pen_2010_files/vuur1_1.jpg" length="59605" type="image/jpeg"/>
    </item>
    <item>
      <title>Dure woorden</title>
      <link>http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2009/8/12_Dure_woorden.html</link>
      <guid isPermaLink="false">00e68416-a117-4905-8a30-83c25cb163bd</guid>
      <pubDate>Wed, 12 Aug 2009 10:27:03 +0200</pubDate>
      <description>&lt;a href=&quot;http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2009/8/12_Dure_woorden_files/scrabble_sxu-790914_1.jpg&quot;&gt;&lt;img src=&quot;http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Media/object048_1.jpg&quot; style=&quot;float:left; padding-right:10px; padding-bottom:10px; width:278px; height:185px;&quot;/&gt;&lt;/a&gt;Mijn woorden zijn niks waard.&lt;br/&gt;“Leg je nog wat aan, voor ‘k de pijp uit ben?” vraagt Bien snibbig.&lt;br/&gt;Ze gaat dan wel dood volgens de dokters, maar ik moet het nog zien. Ze heeft een bloedhekel aan verliezen. Ik ben terug, na dik twintig jaar, ze heeft meer pijn dan er in mijn kreunende handen past, maar ze wil nog altijd winnen. Ik zit op de kruk naast haar bed, tuur naar de dure letters op mijn letterplankje, X en Y en nog een brave N. Liever had ik Z, dan kon ik “zin” aanleggen. Drie keer letterwaarde. Maar totnogtoe zijn mijn woorden geen fluit waard.&lt;br/&gt;“Heb je misschien zin in wat?” vraag ik, “te drinken of te eten?”&lt;br/&gt;“Bitterkoekjespudding” mompelt ze, “die kon je vroeger zo lekker maken Jan.”&lt;br/&gt;“Die met rum erin?”&lt;br/&gt;“Als jij maar van de drank afblijft als ik in de grond lig Jan. En van me zusje.”&lt;br/&gt;“Van je zusje?”&lt;br/&gt;“Rietje-puntig-tietje, doe maar niet of je ’t niet meer weet.”&lt;br/&gt;“Riet ging met iedereen, Bien.”&lt;br/&gt;“En niet gaan zuipen, Jan, als je alleen bent.”&lt;br/&gt;Een week ben ik terug. Hoe is het mogelijk dat ze me alweer bereddert? Ik ben meer dan twintig jaar op m’n eentje geweest, in een land waar de hitte alle lust uit je donder knijpt. Wat moest ik anders dan de leegte met bier vullen, en werken, al ben je zestig, haal die artrosepoten uit je mouwen bloke.&lt;br/&gt;“Wat vind je erger Bien, drank of Rietje?”&lt;br/&gt;“Drank of Rietje, wa’s dat nou voor vraag? Leg nou ’s wat aan!” &lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Ze hebben van de thuiszorg een ziekenhuisbed in de kamer gezet. Ik heb het nachtkastje op klossen geplaatst, dan kan ze vanuit bed op het spelbord kijken. Ze geeft mij steeds haar letters aan, zegt het woord en ik leg het op het bord. Ik lig dik twintig punten achter in de slotfase.&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Ik leg yin. &lt;br/&gt;“Yin, van Yang. Drie keer letterwaarde met de Y”. Ik probeer niet triomfantelijk te klinken.&lt;br/&gt;“Het is Jin met een jee”, zegt ze gortdroog, “ ‘t moet in de Nederlandse spelling, de nieuwe. Haal ’t maar weg.”&lt;br/&gt;Ik kijk haar aan, haar ogen fel als altijd, haar hals pezig van trots, niets hangt. Ik slik citroenzure woorden in, pak de Y op zonder protest. Zij heeft de kanker en ik niet, dus wat zou ik beginnen over dat deze stokoude houten lettertjes van geen nieuwe spelling weten. En ik nog minder. Van die Y kom ik nu niet meer af. ‘In’ ligt er nu, twee dikke punten.&lt;br/&gt;“Eén tel” zeg ik, “misschien weet ik nog wat beters.”&lt;br/&gt;Zij heeft nog maar één letterblokje, ze zit er ongeduldig mee te schuiven over het laken. Als ik haar zomaar laat winnen merkt ze het, dat vindt ze het allerergste.&lt;br/&gt;“Bitterkoekjespudding”, zegt ze, “die zou ik nog wel eens willen. Zoals jij die vroeger maakte...”&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Ik zou woorden moeten spréken in plaats van op een bord leggen. &lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Ze doet haar ogen dicht, ademt zwaar. Jarenlang kon ik slecht inslapen omdat ik dat  geronk niet hoorde naast me.&lt;br/&gt;Als ze haar ogen weer opent, zal ze zeggen: wat blijft er over Jan, als je oud bent? Het maakt niks uit of je een leven vol pleziertjes hebt gehad, of dat ’t enkel kommer was. Met wie je was, dat blijft over. Ik was met jou en daarna met niemand.&lt;br/&gt;En dan zal ik zeggen: ik kon er niet tegen Bien, steeds ‘t zelfde. Net een drassig weiland zonder einder. En maar sjokken door de prut. &lt;br/&gt;En dan zij weer:&lt;br/&gt;-’t Is tenminste wel groen, een weiland. En als je goed kijkt zie je van alles.&lt;br/&gt;-Van alles ja, schapenkeutels, koeienvlaaien.&lt;br/&gt;-Wat zag je dan allemaal voor interessants in die zandwoestijn in Australië?&lt;br/&gt;-Luchtspiegelingen Bien. Je zag van alles van de eenzaamheid.&lt;br/&gt;-Praat me niet van eenzaamheid Jan.&lt;br/&gt;-Ik ben er Bien, ik ben terug, ik blijf. ’t Helpt er niks tegen, dat doodgaan van jou.&lt;br/&gt;-Waartegen?&lt;br/&gt;En dan zullen de woorden mij overmeesteren: dat ik je zo liefheb. Ga dood en ik heb ’t nog, want daarbeneden bleef het ook jammeren. Ach, heus niet iedere dag, dat niet.&lt;br/&gt; Dat laatste lieg ik dan, ’t is wel mooi genoeg zo. &lt;br/&gt;&lt;br/&gt;In het begin ging ‘t gemakkelijk: Bientje lief, Bientje mooi. Maar als je met je vrouw een winkel houdt, gaan andere woorden steeds vóór. Als ik het nog probeerde, dan zei ze “steek ‘m maar in een rol beschuit, dan gaat ’t wel over”, en dan nam ze de klantenboekjes mee naar boven, zachtjes huilend, en ik dacht dat het om de centen was. &lt;br/&gt;Bijna bankroet hebben we de winkel van de hand gedaan. Ik vloog naar Melbourne, voor nieuw werk. Bien bleef, want ja, ik had ‘m niet in de beschuit maar in Rietje gestoken. Ik stuurde Bien iedere maand geld, en een ansichtkaart tot ik geen nieuwe meer kon vinden. Het geld gaf ze weg, de kaarten vond ik gisteren terug in een keukenkastje.&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Ze opent haar ogen.&lt;br/&gt;“Pijn Jan, de pijn komt weer. Hoe laat komt de dokter met de morfine?”&lt;br/&gt;“Weet je nog”, zeg ik, “die bitterkoekjespudding, vond je altijd zo lekker...”&lt;br/&gt;“Ach Jan, schei toch eens uit met dat gezever over die pudding!”&lt;br/&gt;De woorden zitten als splinters in mijn tong: je bent mijn lief, mijn lijf, het betere deel ervan. &lt;br/&gt;“Over Rietje trouwens,” zegt ze, “die tietjes heeft ze niet meer hoor. Een washandje rechts en een waterballon in haar goed links. Bij haar waren de dokters d’r op tijd bij.”&lt;br/&gt;Ze geeft me de letter Q. &lt;br/&gt;“Waar jij die Y had” zegt ze.&lt;br/&gt;“Wat?”&lt;br/&gt;“Tsjin, met een Q.”&lt;br/&gt;“Qin, wat is dat dan?”&lt;br/&gt;“Zoek dat maar op Jan, drie keer letterwaarde, 32 punten, ik heb gewonnen. ’t Is niet veel meer met dat Nederlands van je hè?” &lt;br/&gt;Ik slik voor de tweede maal mijn trots weg, ditmaal zonder moeite. &lt;br/&gt;“De laatste woorden Bien,” zeg ik, “dat zijn altijd de moeilijkste.”&lt;br/&gt;Ze zakt weg in het kussen.&lt;br/&gt;“En de duurste”, lispelt ze. &lt;br/&gt;&lt;br/&gt;(3e prijs Trouw verhalenwedstrijd december 2008)&lt;br/&gt;</description>
      <enclosure url="http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2009/8/12_Dure_woorden_files/scrabble_sxu-790914_1.jpg" length="24918" type="image/jpeg"/>
    </item>
    <item>
      <title>Ik lust geeneens mandarijnen...</title>
      <link>http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2008/4/23_Ik_lust_geeneens_mandarijnen....html</link>
      <guid isPermaLink="false">c0e759cb-b68e-4881-98c4-f127710afdce</guid>
      <pubDate>Wed, 23 Apr 2008 08:34:53 +0200</pubDate>
      <description>&lt;a href=&quot;http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2008/4/23_Ik_lust_geeneens_mandarijnen..._files/3%20koeien%20weidegang_1.jpg&quot;&gt;&lt;img src=&quot;http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Media/object050_1.jpg&quot; style=&quot;float:left; padding-right:10px; padding-bottom:10px; width:257px; height:185px;&quot;/&gt;&lt;/a&gt;Ik lik aan mijn vingers, ik kijk naar de kale taart. Zonder versiering is het maar een taartje van niks. Een zielig bloot snerttaartje. Alleen de mandarijnpartjes en het reepje marsepein met de tekst “Bram 16” liggen er nog op. Ik lust geeneens mandarijnen, en ik ben nog lang geen zestien. Bovendien ben ik Bram niet. Dat is mijn broer. Ik doe het deksel op de doos en zet de taart terug in de koelkast. &lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Nu moet ik de brief nog schrijven. Ik moet opschieten, ik wil de bus van kwart over vier halen. Ik heb mijn tas gepakt, ik heb mijn jas al aan. Morgen is het zondag, dan is hij jarig, mijn broer. Alleen mijn brief zal hem feliciteren, ikzelf niet.&lt;br/&gt;Ik kijk op mijn lijstje, het lijstje helpt mij steeds als ik denk dat ik het niet moet doen.&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Bram krijgt altijd een grotere bal gehakt. &lt;br/&gt;Bram mag laat thuiskomen, als ik al lang in bed lig.&lt;br/&gt;Bram zit op voetbal, ik op orgel.&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Onderaan het lijstje staat:&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Bram krijgt slagroomtaart voor zijn verjaardag en ik zo’n stomme cake met kaarsjes en jam.&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Dat heb ik er vanmorgen nog bij geschreven, toen ik het taartje ontdekte. De cake op mijn verjaardag was best, maar nu niet meer, nu ik de taart heb gezien. Ik ben net dertien. “Dertien is net niks” zei vader. “Wouter onze tuinkabouter” zei Bram, en toen “hieperdepiep”, maar hij zei geeneens hoera. Mama deed een grote lik jam op mijn cake, maar ze zei niets. Ik kreeg wel een cadeau, een fiets. De oude fiets van Bram, met een nieuwe bel en nieuwe banden. Het waren dure banden, zei vader. Ik denk dat Bram een tweedehands brommer krijgt. Want dat had vader beloofd, een brommer, als hij niet zou roken tot hij zestien werd. En nu krijgt hij een taart én een brommer, omdat hij het stiekem heeft gedaan, het roken. Ik heb het zelf gezien, maar ik zeg niks.&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Ik kauw op de dop van mijn pen, ik weet niet goed wat ik moet schrijven. Ik ga niet schrijven over dat het niet eerlijk is enzo, dan vinden ze mij een huilebalk. Opschieten. Ik moet die bus halen. Vader en Bram komen om vijf uur terug van de voetbal, nog voordat mama terug is van opoe. Ik kauw harder op de dop. De pen beweegt nu over het papier. De woorden komen sneller uit mijn hoofd dan uit mijn pen.&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;De bushalte ligt buiten het dorp, het is alleen maar een paal met een geel bord en een bankje ernaast. Het is de enige halte van ons dorp, recht tegenover de boerderij van Faasse. Er is niemand. Ik kijk op het busrooster, dat is vastgemaakt aan de paal. De bus gaat op zaterdag veel minder vaak, daar heb ik niet op gerekend. Ik moet nog meer dan een half uur wachten. Faasse heeft de melkmachine aangezet, de koeien lopen traag naar de schuur, met schommelende uiers. Hij zwaait naar me, Faasse. Ik zwaai terug, wat moet ik anders?&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;“ ‘Eej Wout’r Vermaire! Waèr gaè j’heen kleintje?”. &lt;br/&gt;Zijn stem is net een Zeeuwse kerkklok, je kan niet doen alsof je hem niet gehoord hebt. Maar ik zeg mooi niks terug. Niet omdat hij me ‘kleintje’ noemt, dat doet iedereen, maar omdat ik het niet kan zeggen, waar ik heen ga. Ik weet het zelf geeneens.&lt;br/&gt;Faasse steekt over. Ik houd met mijn ene hand de tas stevig vast, met de andere het bankje. Alsof ik al in de bus zit, op weg naar de stad. Maar ik zit hier en ik kan niks beginnen. Faasse herhaalt zijn vraag. &lt;br/&gt;“Het is niet eerlijk”, zeg ik.&lt;br/&gt;Hij gaat naast me op het bankje zitten. Hij ruikt naar koeien en shag. De koeien maken veel kabaal, maar het lijkt boer Faasse niet te deren. Hij haalt een pakje Van Nelle uit zijn overall. Met zijn dikke duimen peutert hij een vloeitje uit het karton, trekt een plukje tabak los. &lt;br/&gt;“Glad nie eêrluk, ‘eej”, zegt hij luid. &lt;br/&gt;Hij weet geeneens wat er niet eerlijk is, van de taart, de brommer.&lt;br/&gt;“A’k zomae’ zou wagloôpe, maèke die een leêve, glad verschrikkeluk!”, hij wijst naar de koeien die voor de stal onrustig rondlopen. Faasse likt aan het plakrandje.&lt;br/&gt;“ ’t Za’ bie joe tuus ok ’n ‘oop leêve geeve, a’ je d’r nie bin vanaèvond”&lt;br/&gt;Faasse staat op, gooit het nieuwe sjekkie op mijn schoot. Hij legt zijn wijsvinger tegen zijn lippen, gooit dan een doosje lucifers naast mij op het bankje.&lt;br/&gt;“A’k die schuure weer uut kom, mò je wag weêze kleintje, naer huus”.&lt;br/&gt;Hij loopt de straat over, terug naar zijn koeien. Aan de overkant laat hij nog eenmaal zijn stem schallen.&lt;br/&gt;“D’r komt reêge!”&lt;br/&gt;Hij zwaait of wijst, niet naar mij maar naar het niks dat achter mij ligt.&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Het gaat waaien, er schuiven donkere wolken over. Boven Krabbenisse regent het al. ‘t Is net of er grijze gordijnen aan de wolken hangen, vuile vitrage die de kerktoren afdekt, over de bomen valt, de dijk raakt. De zesde lucifer die ik achter mijn jas afstrijk blijft net lang genoeg branden, ik trek als een gek aan de sigaret, ik weet hoe het moet, ik heb het Bram zien doen. Eerst denk ik dat ik stik, maar ik vertik het te hoesten. Ik knijp mijn ogen dicht, het draait in mijn kop. Als ik nu ga rennen, zal ik de brief dan nog kunnen onderscheppen? Ik kan geeneens rennen, ik voel me licht, lijk wel betoverd. Ik ken de hele brief nog uit mijn hoofd. Ik roep de woorden tegen de wind:&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Sorry Bram&lt;br/&gt;Gefeliciteerd met je verjaardag,&lt;br/&gt;ik heb de slagroom van je taart gesnoept&lt;br/&gt;met mijn vingers.&lt;br/&gt;Het spijt me.&lt;br/&gt;O ja, en de meeste vruchtjes ook &lt;br/&gt;maar niet de mandarijntjes.&lt;br/&gt;Die lust ik niet.&lt;br/&gt;Wout&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Ik loop terug naar het dorp, sloom als de koeien van Faasse. De regen zal mij inhalen.&lt;br/&gt;</description>
      <enclosure url="http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2008/4/23_Ik_lust_geeneens_mandarijnen..._files/3%20koeien%20weidegang_1.jpg" length="26379" type="image/jpeg"/>
    </item>
    <item>
      <title>winnende verhaal &quot;1000 woorden&quot;</title>
      <link>http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2008/4/23_winnende_verhaal_%221000_woorden%22.html</link>
      <guid isPermaLink="false">ec6445b9-d1e7-410b-a3a3-b16e336894c5</guid>
      <pubDate>Wed, 23 Apr 2008 08:31:04 +0200</pubDate>
      <description>&lt;a href=&quot;http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2008/4/23_winnende_verhaal_%221000_woorden%22_files/images-miscellaneous-2006-old-hand-500x500_1.jpg&quot;&gt;&lt;img src=&quot;http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Media/object051_1.jpg&quot; style=&quot;float:left; padding-right:10px; padding-bottom:10px; width:279px; height:185px;&quot;/&gt;&lt;/a&gt;“Het is niet de goede”, zegt vader.&lt;br/&gt;Zijn handen liggen plat op het tafelblad, dan trillen ze minder. Ik peuter het folie van het puddingbakje. Griesmeel met bessensap, in een verpakking voor één persoon. Teus heeft het meegenomen voor vader, maar ik koop altijd de goedkope van het huismerk en niet deze.&lt;br/&gt;“Het is hetzelfde toetje papa”, zeg ik, “alleen een ander merk. Teus heeft het echt goed uitgezocht.”&lt;br/&gt;“Het is niet de goede. Els, jij bent mijn oudste, jij weet toch welke ik altijd heb?”&lt;br/&gt;Mijn halfbroers Teus en Rinus zitten tegenover mij, het azijnzuur van hun blikken bijt op mijn huid. Ik had Teus verteld welk puddinkje hij voor vader moest meenemen. Nu is het niet het goede, en geeft Teus mij de schuld, ik zie het aan de bocht in zijn zware wenkbrauwen. De haring ligt ook nog onaangeroerd. Want vader eet nooit haring, maar gerookte makreel. Ook dat had ik Teus gezegd, maar misschien vergis ik me en heb ik het gezegd tegen de opstaande neuzen van zijn cowboylaarzen. &lt;br/&gt;“Probeer het nu maar”, zeg ik tegen vader, “het smaakt echt hetzelfde.”&lt;br/&gt;Ik duw het lepeltje in zijn rechterhand. Hij maakt geen aanstalten. &lt;br/&gt;“Zullen we voor je zingen papa?” vraag ik. &lt;br/&gt; “Ben je besodemieterd”, roept Rinus, “ik ga niet zingen!”&lt;br/&gt;Zijn woeste blik maakt me bang, net als vroeger. Maar ik wijk niet.&lt;br/&gt;“Papa is maar eens per jaar jarig Rinus, als hij....”&lt;br/&gt;“De paus ook, en Jezus Christus zelf sodeju. Maar dan zing ik ook niet!”&lt;br/&gt;Vader peurt met het lepeltje in het puddinkje. Hij zegt niks. Voor ons zong hij altijd uit volle borst, zo hard dat de snaren van de piano vanzelf meezongen. Nadat hij moeder dood vond, met alle houten wasknijpers om haar heen, heeft hij nooit meer gezongen. “Dat is nou al de tweede”, dat zei hij volgens Teus, toen hij haar zag liggen, en daarna “gelukkig heb ik jou nog”, tegen de geit. Maar Teus was nog maar zeven, hij had vaders “eerste” - mijn moeder - nooit gekend, en hij haatte de geit, dus ik weet niet of zijn herinnering betrouwbaar is.&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Ik schep de soep op, voor mij en mijn broers.&lt;br/&gt;“Dus die ouwe moet geen soep, die eet alleen nog maar mona-toetjes?”, vraagt Rinus.&lt;br/&gt;“En vis, zo nu en dan”, antwoord ik.&lt;br/&gt;“Makreel”, zegt vader luid, “gerookte makreel.”&lt;br/&gt;Hij duwt zijn lepeltje naar de bodem van het kuipje, roert door de bessensap, die zich onderin schuilhoudt als een kostbare delfstof.&lt;br/&gt;“Hij gaat hard achteruit” zegt Rinus.&lt;br/&gt;“Rinus, hij is tweeëntachtig!” zeg ik.&lt;br/&gt;“Jezus, nou en?” sist hij, “Het was altijd al een ouwe knar, die man.”&lt;br/&gt; “Pa”, zegt Teus, “weet u, ik ga een interne opleiding doen bij Prestofix, voor een functie als locatieleider...”&lt;br/&gt;Rinus laat een klinkende boer.&lt;br/&gt;“Heb je daarom die tattoo laten zetten?” zegt hij, “Staat er nu soms ‘meneer de kutdirecteur’ op je arm?”&lt;br/&gt;Teus grijpt naar zijn rechterbovenarm. Hij probeert het te korte mouwtje van zijn vale T-shirt omlaag te trekken, maar vestigt daardoor alleen maar de aandacht op het verband dat de wond van de verse tatoeage bedekt. Vader kijkt in zijn toetje.&lt;br/&gt;“Het is de verkeerde”, zegt hij. &lt;br/&gt;Dit keer ben ik blij met die woorden. Het haalt de kou wat uit de lucht. Teus probeert het nogmaals.&lt;br/&gt;“... en als ik dat eenmaal ben kan ik in zes jaar doorgroeien tot regiomanager. Dan heb ik twaalf zaken onder me, pa!”&lt;br/&gt;Stilte. Dan smijt Rinus zijn soeplepel op tafel. Ting zegt de lepel en pets zegt de tafel en het geluid stoot tegen alle kale muren van vaders eetkamer terug in onze gezichten. Ik ben machteloos. Rinus valt aan.&lt;br/&gt;“Het ENIGE dat JIJ ooit onder je hebt gehad is je eigen ZAK en een ouwe Filippijnse HOER, en dat zal wel zo BLIJVEN OOK!”&lt;br/&gt;Rinus schuift woest zijn stoel naar achteren. De plavuizen knarsen als het oude tuinhek, het bezorgt mij een koude rilling. Rinus loopt met grote passen langs de tafel. In het deurgat blijft hij staan. &lt;br/&gt;“Een vent van achtendertig!”, roept hij, “Met een nieuwe tattoo! Godsodeju!”&lt;br/&gt;Hij is weg.&lt;br/&gt;Ze hebben niet gevochten, mijn halfbroers. Rinus is gekomen vandaag. En Teus is er nog. Ik moet er geen drama van maken.&lt;br/&gt;“Het is niet de goede”, zucht vader. Hij schuift het toetje van zich af.&lt;br/&gt;“Ik ga even naar de plee”, zegt Teus.&lt;br/&gt;Ik tel tot twintig, dan sta ik op.&lt;br/&gt;“Papa, ik ruim de borden vast af.”&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Ik loop door de bijkeuken naar buiten. Teus staat te roken naast de oude regenton.&lt;br/&gt;“Rinus is gewoon jaloers, zeg ik, hij ligt zelf de ganse dag onder die smerige auto’s.”&lt;br/&gt; “Wat heeft die man tegen mijn toetjes verdomme”, zegt Teus.&lt;br/&gt;“Vader is oud. Teus, hij kan niet tegen verandering.”&lt;br/&gt;Teus neemt nog een hijs, hij kijkt naar de neuzen van zijn laarzen. Ik voel dat hij weg wil.&lt;br/&gt;“Neem het huismerk mee de volgende keer”, zeg ik, “griesmeel met bessensap van het huismerk. En een gerookte makreel, geen haring. Het is niets, echt niet.”&lt;br/&gt;Ik sla een arm om mijn broer heen, ik haal hem stevig aan. &lt;br/&gt;“Auauauaau!”&lt;br/&gt;De sigaret valt uit zijn vingers, hij grijpt naar het verband om zijn arm. &lt;br/&gt;“Sorry”, zeg ik, “sorry ik was vergeten... wat voor tatoeage heb je eigenlijk Teus?”&lt;br/&gt;“Gaat je niks aan.”&lt;br/&gt;Het tuinhek knarst, een koude rilling, ik loop weer naar binnen.&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;Vaders handen liggen plat op het tafelblad. Het puddingbakje is leeg, het lepeltje staat erin. Er ligt een haringstaart op het vetvrije papier. &lt;br/&gt;“Neem je de volgende keer déze voor mij mee Els? Deze is wel zo lekker.”&lt;br/&gt;Een trilvinger wijst naar het lege kuipje.&lt;br/&gt;“En die vis ook, die vis was prima!”&lt;br/&gt;Ik lach naar vader, ik denk aan Teus. Hij is altijd blijven geloven dat die wasknijpers zijn moeder aangevallen hebben, haar vermoord hebben als een zwerm agressieve reuzenbijen. Ik weet wel wat er op zijn bovenarm staat, onder het verband. Ik weet het.&lt;br/&gt;</description>
      <enclosure url="http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2008/4/23_winnende_verhaal_%221000_woorden%22_files/images-miscellaneous-2006-old-hand-500x500_1.jpg" length="42686" type="image/jpeg"/>
    </item>
    <item>
      <title>havo zes (3e prijs schrijfwedstrijd trouw)</title>
      <link>http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2008/3/11_havo_zes_%283e_prijs_schrijfwedstrijd_trouw%29.html</link>
      <guid isPermaLink="false">68a22e45-7b41-4907-b7f7-e8d498f8a66f</guid>
      <pubDate>Tue, 11 Mar 2008 13:56:44 +0100</pubDate>
      <description>&lt;a href=&quot;http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2008/3/11_havo_zes_%283e_prijs_schrijfwedstrijd_trouw%29_files/spons_1.jpg&quot;&gt;&lt;img src=&quot;http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Media/object052_1.jpg&quot; style=&quot;float:left; padding-right:10px; padding-bottom:10px; width:247px; height:185px;&quot;/&gt;&lt;/a&gt;Achter in de hoek bij de verwarming, pal voor de radiatorknop, daar zat de vijand. De vijand was half Surinaams half Nederlands en luisterde naar de naam Dylan, hoewel hij meestal nergens naar luisterde. Naast de vijand zat niemand, hij had twee plaatsen nodig. Een voor zichzelf en een voor zijn enorme jas. Hij bediende de radiatorknop achter zich altijd naar eigen inzicht. Hij zou daar niet moeten zitten, dat wist ik heel goed, ik zou hem moeten gebieden vooraan plaats te nemen, zijn geschiedenisboek eens open te slaan, als hij het al bezat. Ik wist ook dat ik hem niet als ‘de vijand’ mocht zien, ik behoorde vredespijpen met hem te roken. Maar stiekem was ik al tevreden met het feit dat hij er was, dat hij zijn jas uittrok, een daad waarmee hij leek te zeggen “vooruit, ik blijf vandaag”. Grotere overwinningen waren voorlopig onhaalbaar voor mij. Ik was nieuw, het jaar was nog vers, ik gaf ‘maar geschiedenis’ en moest nog langer mee in deze klas. Want Dylan mocht dan de vijand zijn, de andere leerlingen van Havo Vier rekenden mij ook niet tot hun vriendenkring. Havo Vier, dat waren geen zachte eitjes. Net als de vijand waren nog vijf andere leerlingen al twee keer blijven zitten. “Havo Zes”, zo heette de klas in de docentenkamer.&lt;br/&gt;De vijand slofte binnen. Hij was te laat.&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;lees &lt;a href=&quot;http://schrijf.trouw.nl/schrijfwedstrijd/inzendingen/hij-voltrok-het-vonnis-met-een-spons&quot;&gt;hier&lt;/a&gt;  het complete verhaal (website &lt;a href=&quot;http://schrijf.trouw.nl/schrijfwedstrijd/inzendingen/hij-voltrok-het-vonnis-met-een-spons&quot;&gt;Trouw&lt;/a&gt;)</description>
      <enclosure url="http://www.muziekentekst.nl/Muziek_en_Tekst/Tekst/Artikelen/2008/3/11_havo_zes_%283e_prijs_schrijfwedstrijd_trouw%29_files/spons_1.jpg" length="74803" type="image/jpeg"/>
    </item>
  </channel>
</rss>

